09 december 2015 | Fysiek gezond | Interview | 5 min. leestijd
Bij het placebo-effect denken we altijd aan een medicijn dat niet blijkt te werken. Maar er zijn ook positieve effecten te noemen: door alle verwachtingen en aandacht start het brein zelf chemische processen die kunnen bijdragen aan herstel. Artsen zouden daar meer aandacht voor moeten hebben.
De eerste toediening van een placebo vond plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen een piloot een beenamputatie moest ondergaan. Omdat de morfine op was, gaf een verpleegster hem water met een zoutoplossing: ze zei dat het een pijnstiller betrof. De piloot onderging de operatie, die doorgaans met helse pijnen gepaard gaat, relatief gemakkelijk.

Die genezende verbeeldingskracht van een placebo – is dat echt alleen maar inbeelding? Nee, blijkt uit onderzoek. Een placebo stimuleert namelijk het brein zelf om stoffen aan te maken die de pijn onderdrukken. Bij de verwachting dat een bepaald middel dat wordt ingenomen pijn zal onderdrukken, maakt het lichaam endorfine aan. De werking van endorfine is gelijk aan morfine.

Een andere verdovende stof die het lichaam zelf produceert, is cannaboïden – vergelijkbaar met cannabis. De verwachting speelt daarin een sturende rol. Mensen die een hoge verwachting hebben van een pijnstiller, maken meer dopamine aan dan mensen met een lage verwachting.

Actief herstel

Tijdens het placebo-effect werkt het brein dus actief aan ons herstel. Soms op eigen kracht, als het toegediende middel zelf geen effect heeft. Soms versterkt het een middel dat zelf een goede werking heeft. Soms overvleugelt het een werkzaam middel. Jozien Bensing, hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Utrecht, is de Nederlandse expert op het gebied van het placebo-effect. Zij heeft veel onderzoek gedaan naar de communicatie tussen artsen en patiënten.

Volgens Bensing moeten artsen en specialisten het placebo-effect omarmen en toepassen in hun spreekkamer. De Latijnse vertaling van placebo is ‘ik zal behagen’. Eeuwen geleden dienden artsen niet-werkzame middelen toe met het idee iets te kunnen betekenen voor de patiënt. Bensing steekt dat ‘behagen’ in een modern jasje. Na analyse van haar videomateriaal is haar conclusie onvermijdelijk: patiënten vinden het belangrijk dat een arts empathie toont, hen serieus neemt, positieve verwachtingen schept bij een medicijn en ze de mogelijkheid geeft hun verhaal te vertellen. In zo’n ‘behaaglijke’ situatie maken we volgens haar optimaal gebruik van het placebo-effect. Het brein is dan volledig voorbereid om chemische reacties te starten die herstel bevorderen. Er is sprake van positieve verwachtingen en van positieve aandacht.

Zorgconsult

Daarom vindt Bensing dat het placebo-effect een belangrijke plek moet krijgen in een zorgconsult. “De arts die de patiënt op zijn of haar gemak stelt, vergroot de kans op herstel”, stelt ze. De hoogleraar pleit er dan ook voor dat er in de zorg ruimte blijft voor aandacht. “Onder tijdsdruk kan de aandacht voor de patiënt in een consult ondergesneeuwd raken. Als een arts naar de klok of op zijn horloge kijkt, vallen veel patiënten stil, krijgen zij een hogere hartslag en beginnen ze te zweten.”

Dat is een statistisch feit, beklemtoont de wetenschapper. “Zoveel mogelijk patiënten in zo weinig mogelijk tijd behandelen, kan dus averechts werken. Het placebo-effect gaat niet om het voorschrijven van een neppil, maar om het geven van aandacht en het wekken van vertrouwen. Uiteindelijk wint de zorg daar meer mee, dan op kosten te besparen door tijdwinst.”