22 november 2021 | Fysiek gezond | Interview | 5 min. leestijd
Waarom ervaart de ene persoon meer bijwerkingen dan de andere? Het antwoord blijkt deels in je genen te liggen. Met een DNA-test kun je erachter komen welke dosering bij jouw lichaam past. Hoe gaat dat in z’n werk en voor wie is het van belang?
Bij de apotheek krijg je als patiënt meestal een one size fits all-dosering voorgeschreven. Doseringen zijn namelijk vastgesteld op basis van de effecten en bijwerkingen van de gemiddelde patiënt. Maar niemand is gemiddeld. Ieder mens is anders en reageert daarom anders op medicijnen. Niet elke patiënt bereikt daardoor het gewenste effect. Sommige patiënten ervaren bijvoorbeeld geen effect terwijl andere te maken krijgen met heftigere bijwerkingen, soms zelfs met overlijden tot gevolg. De mate van bijwerkingen en de afwezigheid van effecten zijn afhankelijk van het DNA van een patiënt.

DNA-test

Genen bepalen dus de werking van medicijnen. Dat komt omdat het DNA de informatie bevat voor enzymen die geneesmiddelen afbreken. En het is gebleken dat niet iedereen over hetzelfde arsenaal aan enzymen beschikt omdat ze variaties in hun DNA voor deze enzymen hebben. Wie benieuwd is naar de ideale dosering van een geneesmiddel en daarmee naar een optimaal effect kan een speciale DNA-test laten doen. Zo’n test valt onder de noemer ‘farmacogenetisch onderzoek’. Farmacogenetica onderzoekt het vermogen van mensen om geneesmiddelen in de lever af te breken, omdat dit afbraakvermogen per persoon verschilt.

Medicatie op maat

‘Bij 1 op de 5 medicijnen is het zogenoemde CYP2D6-enzym betrokken bij de afbraak’, zegt laboratoriumspecialist en hoogleraar Farmacogenetica  Ron van Schaik. ‘Maar 5 tot 10 procent van de bevolking mist dit belangrijke enzym. Bij deze groep patiënten leiden normale doseringen tot hogere bloedspiegels met daardoor een hoger risico op bijwerkingen. Voor deze groep is medicatie op maat essentieel: doseringen toegespitst op het afbraakvermogen van de lever.’

2 tot 5 procent van de bevolking heeft juist een teveel van dit enzym, legt de hoogleraar uit. Medicatie wordt bij hen sneller afgebroken, waardoor het gewenste effect van een geneesmiddel niet of maar voor een deel wordt bereikt. Ook bestaat er nog een groep van 10 tot 15 procent die zich tussen de vorige twee groepen bevindt. Bij hen spreken we van een intermediair metabolisme.

Dat betekent dat slechts 60 procent van de bevolking doorgaans een ideale medicijndosering krijgt voorgeschreven. De rest van de bevolking heeft op basis van genetische eigenschappen eigenlijk een hogere of mindere dosering nodig om het gewenste effect van een medicijn te voelen.

Op de vraag wie het meeste baat heeft bij een DNA-test, antwoordt Van Schaik: ’Enerzijds weten we dat bij ongeveer 90 geneesmiddelen (hier in het in rood weergegeven, red.)  een deel van de patiënten een dosis nodig heeft die verschilt van de gemiddelde dosering. Wanneer je een van deze middelen krijgt voorgeschreven, is farmacogenetisch onderzoek behulpzaam. Anderzijds weten we dat 90 procent van de bevolking een DNA-variant heeft in één van de zes belangrijkste enzymen. Deze groep heeft daardoor baat bij zo’n DNA-profiel. Farmacogenetisch onderzoek is wellicht zelfs nog meer van nut voor oudere patiënten, omdat zij relatief meer medicatie krijgen voorgeschreven.’

DNA-paspoort

Rondom dit onderwerp luidt een discussie: moet iedereen een DNA-paspoort voor medicatie krijgen of moet een test alleen worden gedaan bij patiënten die een specifiek medicijn krijgen? ‘Ethisch gezien denk ik dat iedereen recht zou moeten hebben op een DNA-paspoort’, zegt Van Schaik. ‘We hebben de benodigde kennis en kunde in Nederland aanwezig om geneesmiddelentherapie veiliger en effectiever in te zetten. Het laboratorium Klinische Chemie van het Erasmus MC is een van de zestien Nederlandse laboratoria die deze testen uitvoert en is momenteel het grootste laboratorium van Nederland op dit gebied.’

De testprocedure

Als patiënt kun je een farmacogenetische test laten aanvragen bij je arts of via de huisarts. Bij de huisarts of in het ziekenhuis wordt er bloed, speeksel of wangslijmvlies afgenomen, alhoewel dit laatste ook door de patiënt zelf thuis kan worden gedaan. Het materiaal wordt naar een laboratorium van het Netwerk Klinische Farmacogenetica Nederland gestuurd. Hier wordt het DNA geanalyseerd van de enzymen die verantwoordelijk zijn voor de omzetting van medicijnen.

Dit onderzoek toont vervolgens aan of er variaties zijn in het DNA van bepaalde enzymen. De resultaten van dit onderzoek worden in de vorm van een rapportage of een DNA-paspoort naar de aanvragend arts gestuurd. Hier dient het vervolgens als basis voor het voorschrijven van medicatie.

Vergoeding vanuit ONVZ

Vanuit de basisverzekering wordt farmacogenetisch onderzoek alleen bij een medische indicatie vergoed en valt het onder regulier laboratoriumonderzoek. ONVZ vergoedt als enige zorgverzekeraar binnen de aanvullende verzekering ook de kosten voor farmacogenetisch onderzoek wanneer het preventieve zorg betreft. Hier betaal je geen eigen risico en eigen bijdrage voor.

Binnen de aanvullende zorgverzekeringen Topfit en Superfit wordt farmacogenetisch onderzoek voor preventieve doeleinden 100 procent vergoed, tot maximaal 350 euro per kalenderjaar. Houd er rekening mee dat ONVZ het onderzoek alleen vergoedt als een patiënt een medicijn voor de eerste keer gebruikt en wanneer het onderzoek aansluit op de adviezen van de KNMP.

Voor PNOzorg geldt deze vergoeding ook vanuit de aanvullende verzekeringen Top en Excellent.

Meer informatie nodig? 

Voor meer informatie over de vergoeding van farmacogenetisch onderzoek kun je terecht bij onze ZorgConsulenten. Mail naar zorgconsulent@onvz.nl of bel naar 0800 022 14 50 (gratis) en kies optie 2.